Archive | January, 2012

Een klein figuurtje op Jan’s schouder

27 Jan

Jan was met een aantal medestudenten een paar dagen naar Praag. Na een leuke avond belandde hij op het dak van een gebouw om van het mooie uitzicht te genieten en stapte op een glazen plaat. Daar zakte hij doorheen.

Hij viel ruim twee meter omlaag en stond toen stil. Nadat zijn ogen aan het donker waren gewend, zag hij dat hij in een brede schacht stond. Hij leunde tegen een muur, terwijl zijn voeten op een soort vensterbank stonden. Daaronder gaapte een gat van acht verdiepingen…

Een van zijn studiegenoten maakte van bovenaf een foto van Jan in zijn benarde positie. Gelukkig maar, anders had niemand het verhaal geloofd. Na een halfuur kon onze Jan zich met veel moeite via een raam bevrijden, waarna hij nog een leuke en leerzame tijd doorbracht in Praag.

Als Jan naar beneden was gevallen, dan hadden Harry en ik onze zilveren bruiloft niet gevierd. Een gebeurtenis, die ook in onze omstandigheden toch wel een feestje waard was. Nu hadden we een lekker etentje samen met de jongens en het was een extra gezellige avond.

Als het ongeluk toch was gebeurd, dan had ik waarschijnlijk nooit meer een column geschreven. Dan had ik er misschien zelfs een einde… Of Harry. Of wij allebei. Dat was toch niet onbegrijpelijk geweest? Als.. . dan.. . Je hebt er natuurlijk niks aan, maar je kunt er ook niet omheen.

Ik kan het maar niet laten om die foto te bestuderen. Jan kijkt omhoog in de lens met een bebloed voorhoofd. Dat was trouwens maar een schrammetje. En vandaag ontdekte ik al kijkend iets nieuws. Op Jan zijn rechterschouder zit een klein figuurtje. Het is doorschijnend en heeft vleugeltjes. Het fluistert iets in zijn oor. xa8Jouw tijd is nog niet gekomenxa8, moeten de woorden zijn geweest.

 

Klik op de foto voor een vergroting

Advertisements

De roosjes op het behang

23 Jan

Als kind deed ik het ook. Tellen. De stoeptegels, het zebrapad. Je mocht met je voeten niet op de zwarte strepen komen en de andere dag niet op de witte. Als je dat wel deed, dan was je af. Viel dan de hemel op je hoofd? Zoiets moet het wel zijn geweest in de beleving van een kind.

Jaren deed ik het niet, maar sinds ik uren achtereen stilzit is het teruggekomen. In de kleedkamer van het zwembad waar ik elke week kom, tel ik de klerenhaken. De grote zijn er telkens tien, de kleine ertussen negen.

De roosjes op het behang in mijn slaapkamer zijn er in de breedte tweeëntwintig en in de lengte negentien. Tegelpatronen, latjes in een hekwerk, zelfs blaadjes van de bloemen in een boeket. Ik word stapelgek van mezelf.

Regelmatig bezoek ik het zaterdagmiddagconcert in de Domkerk. Of de muziek nou mooi is of niet, ik moet me verschrikkelijk beheersen om niet te gaan tellen. Wat bijvoorbeeld te denken van het monumentale kerkorgel! Al die orgelpijpen, pilaartjes, pilasters, hekjes. Dan kijk ik naar links, waar de glas-in-loodramen mij toestralen. Ruitjes tellen van boven naar beneden, van links naar rechts. En dan de apostelen op de ruitjes.

De grote koperen kandelaren aan het plafond hebben elk achttien armen met lampen. En dan is er weer die meneer voor mij met zijn blokjestrui en schuin voor hem zitten een streepjesoverhemd en een bolletjesjurk.

Het tellen is een dwangmatigheid, maar geen neurose. Dat wil zeggen, dat als het concert klaar is en ik nog niet ben uitgeteld, ik dan toch rustig naar buiten kan gaan. Ik ben de meeste aantallen ook zo weer vergeten. En het dak van de Domkerk zal niet bovenop me vallen.