Archive | May, 2012

Gouden regen

26 May

Het zwarte merelmannetje gaat eerst op het hek bij de voordeur zitten en slaat zijn vleugels onrustig uit. Zijn staart wipt op en neer en in zijn snavel zit iets eetbaars; het beweegt een beetje. Hij kijkt omhoog en stijgt dan op.

De klimhortensia aan onze voorgevel is in de loop der jaren indrukwekkend uitgegroeid. Vanuit de voorkamer bezie ik het weelderige groen en als ik naar boven kijk, dan wappert daar een plastic zakje tussen de bladeren en witte schermbloemen.

Het zakje zit vast tussen slordige takjes; het maakt onderdeel uit van het merelnest. De vogel hipt tussen de takken door naar boven, stopt ter hoogte van het nest en vliegt even later met een lege snavel weer weg.

Het voorjaar stemt mij altijd melancholiek. Dat is al lang zo, maar het gevoel werd sterker toen ik dertien jaar geleden de diagnose ALS kreeg. Ik zie me nog in de serre zitten; verdoofd starend naar de narcissen in de tuin en naar de honderden sliertjes in de gouden regen, die spoedig als een gele kathedraal tussen de huizen zou stralen.

Met het verstrijken van de jaren wordt dat melancholieke alleen maar sterker. Hoe kun je zonder emotie luisteren naar de zang van misschien wel steeds dezelfde merel, die zich nu voor mijn ogen aan het voortplanten is?

De gouden regen is een paar jaar geleden omgezaagd. Hij was oud en zwak en dreigde met de
eerste de beste storm op onze huizen te vallen. De merel die er altijd bovenin zat, zingt nu vanuit een andere boomtop. Zo simpel gaat dat in de natuur.

Is het echt zo simpel? Er komt een moment dat ik niet meer achter het raam naar de merels zit te kijken. Hoeveel bloeiende narcissen nog? Hoeveel nesten nog? Hoeveel lentes nog? Nee, zo simpel is niet. Zo simpel is het helemaal niet…

Advertisements

‘My bird’

14 May

Nogal wat leeftijdgenoten, vijftigers dus, ontdekken de bekoring van het zingen. Zowel mannen als vrouwen sluiten zich dan aan bij een koor en brengen onder leiding van een dirigent frivole Hongaarse liedjes, smartlappen of zelfs de complete Mattheus Passion ten gehore.

De kersverse zangers oefenen op een zolderkamertje of als er niemand thuis is. Huisgenoten vinden het eenzame geploeter op een koorpartij namelijk niet om aan te horen, wat het doorgaans ook niet is.

Maar samen zingen is heerlijk, op welk niveau dan ook, en ik ben dan ook blij dat ik als student al lid was van diverse koren. Bach en Sjostakovitsj vormen je, evenals het je aanpassen aan de stemmen om je heen en het leren luisteren naar een dirigent.

Toen ik net ziek was, besloot ik de klassieke muziek in te ruilen voor een ander genre. Met zes vriendinnen nam ik les bij jazz-zangeres Caroline Lobanov. Er ging een wereld voor me open!

Emotie, expressie, performance, alles was nieuw. Ik leerde in mijn eentje op te treden in, toen nog, rokerige kroegen. Stijf van de zenuwen het podium bestijgen om met omfloerste stem het treurige ‘ Don’t Explain’ van Billie Holiday te zingen.

In een creatieve uitbarsting schreef ik ook zelf een song. Het werd een ballad. Een rustig, wat melancholiek liedje over de liefde. Ik zong ‘My Bird’ een paar keer bij optredens van ons groepje en toen mijn stem het door de ALS liet afweten, verdween het lied in de kast.

Ik dacht er jaren niet meer aan, totdat ik Caroline toevallig tegenkwam. Zij was mijn song niet vergeten en vroeg of ze hem mocht vertolken. Mijn eigen lied uitgevoerd door professionals; wat een eer!

Ik wilde er graag bij zijn en zo geschiedde. Er was een huisconcert met zestig man publiek en voor mij werd het een feestje. En ik kreeg nog een cd mee ook. Dankjewel, Caroline!

Johnnie

4 May

Twee zwarte kraaloogjes keken mij vriendelijk aan. “Ik wil ook in jouw boek”, zeiden ze.

“Je bent toch over vroeger aan het schrijven? Al jouw hele leven loop ik met je mee. Realiseer je je dat wel?”

Johnnie is een echte Steiff-beer. De Rolls Royce in berenland. Mijn moeder kocht hem voor mijn eerste verjaardag. Nu kijkt hij me aan vanuit de kast tegenover mijn bed. Met zijn 53 jaar ziet hij er nog patent uit. Weliswaar een beetje voorover gebogen en onderuit gezakt, maar toch.

Als je hem vastpakt, dan voel je de metalen spiraal in zijn buikje. De opvulling is helemaal verteerd. Uit zijn snuit komt een beetje zaagsel en zijn pootjes zijn bekleed met vilt. Die lapjes naaide mijn moeder er in de loop der jaren meerdere malen met liefde op. Voor hem en voor mij.

Johnnie is altijd mijn lieveling geweest. Samen met mijn zus bezat ik vele poppen, die allerlei rollen vervulden in ons spel. Ze waren onze kinderen bij vadertje en moedertje, bibliotheekje, speeltuintje en natuurlijk als we schooltje speelden.

Het braafste jongetje van mijn klas was Johnnie. Hij haalde altijd tienen en kreeg dan een dikke krul of een stempel in zijn schriftje. Want als juffen vulden mijn zus en ik eerst alle schriften van de poppen in, om ze vervolgens met een rode pen na te kijken.

Kinderen voor de klas terechtwijzen en in de hoek zetten was nog leuker. Johnnie hoorde daar nooit bij. Hij mocht de schriftjes ronddelen en koffie halen voor de juf. Bij nader inzien was hij eigenlijk maar een zeikerdje.

‘Natuurlijk ga ik over je schrijven‘, stelde ik Johnnie gerust. ‘Maar als het me niet meer lukt om het boek af te maken, doe jij het dan voor me?‘ Ik hoorde hem slikken en zijn oogjes stonden plotseling dof. ‘Je moet tenslotte wel realistisch blijven.‘ Johnnie knikte droef.