Archive | August, 2012

Woordvoerder van de klas

10 Aug

‘Was papa eigenlijk een goede student?‘, vroeg Jan, toen hij het eerste jaar van de School voor de Journalistiek had gehaald. Hijzelf was het afgelopen jaar best goed geweest in het maken van praktische opdrachten, maar echt blokken voor een tentamen, zoals ik nog wel weet van vroeger, had hij niet veel gedaan.
In het kort schetste ik Harry’s bescheiden HBO-loopbaan. Nadat hij was uitgeloot voor de, in die tijd overigens als een anarchistisch bolwerk bekend staande, School voor de Journalistiek, ging hij voorlopig maar naar de Katholieke Pedagogische Academie.
Hij had immers bij de fraters op school gezeten en die probeerden zoveel mogelijk zieltjes te winnen voor hun kweekschool. De wereld van sociaal–pedagogisch bezig zijn was nieuw voor hem en het omgaan met kinderen vond hij toen al best leuk.
Ik herinner me dat ik opdrachten voor hem maakte. De theorie van opvoeden en alles wat daarmee te maken had, vond ik namelijk leuk. Harry minder. Het eerste jaar sloot hij af met een taak voor blokfluit en zodoende zaten we die zomer in Bretagne op een camping voor de tent ‘Un dun dip’ te oefenen.
In het tweede jaar ontstond op een gegeven moment een hoogoplopend conflict tussen de klas en een docent. Harry wierp zich op als voorvechter en woordvoerder van zijn klasgenoten, maar toen het erop aan kwam, vond iedereen een goed cijfer toch belangrijker dan de principiële strijd en bond in.
Dat was voor Harry reden om zijn spullen te pakken en nooit meer terug te komen op school. Hij ging naar huis, waar zijn moeder die ochtend toevallig een kleine advertentie uit de krant had geknipt: ‘Leerling-journalist gevraagd‘.
‘Dat was het begin van je vaders loopbaan‘, vertelde ik aan Jan, die wel onder de indruk was van dit verhaal. Strijdlust, durf, een beetje geluk en hard werken. Uiteindelijk komt hiermee iedereen waar hij wezen wil.

Advertisements

Een vriendelijke, geduldige glimlach

7 Aug

‘Die verdomde ziekte van jou maakt alles kapot. Maar je kunt er niks aan doen en dat is nou juist het irritante. Je doet eigenlijk niks verkeerd, waardoor we niet boos op je kunnen worden.’

Mijn mannen, die deze woorden af en toe mijn kant op slingeren, doen dat met een woede, die je niet ingehouden kunt noemen. Zonder dat ze het willen, zijn ze laaiend op me. Want ook al kan ik het niet helpen, ik ben de ziekte, dus de veroorzaker van een hoop ellende.

Het is beter om af en toe een stomme fout (of foutje) te maken. Zoals laatst bijvoorbeeld, toen ik de hulp had gevraagd om aardappelen te koken. Niet te gaar, zodat Harry ze later op de avond kon bakken. Ik vergat dat ‘m echter even te zeggen, zodat ik vanuit mijn bed een vloek hoorde, nadat mijn toch al vermoeide echtgenoot zijn tanden in een keiharde pieper had gezet.

En dan de onvermijdelijke, moederlijke bemoeienis naar de jongens. Die hinderlijke vragenstellerij: ‘Heb je al naar een andere fiets gekeken?’ (Zoveelste keer gestolen.) ‘Hoe staat het nou met dat baantje? ‘ (Op vakantie willen, maar geen geld hebben.) Dat gezeur aan je kop is om razend van te worden, wat dan ook gebeurt.

Dat soort boosheid kan ik wel hebben. Het zijn normale discussies, meningsverschillen en verwijten naar elkaar en het prettige is, dat je na afloop gewoon ‘sorry’ kunt zeggen. ‘Dat was ik vergeten. Stom van me.‘ Of : ‘Ik moet me er ook niet mee bemoeien.‘ Klaar weer.

Maar als ik een vraag stel aan de huisgenoot die toevallig in mijn buurt loopt, als: ik heb het koud, of dorst of iets anders primairs, dan hoort daar (vind ik) een vriendelijke, geduldige glimlach bij. Liefst met een warme omhelzing of liefdevolle knuffel, of een aai over mijn bol. Ik geloof dat ik nu wat overdrijf. Maar dat begrijpen mijn mannen wel. Zoals ik hen.