Archive | October, 2013

Opgewekt doorzetten

25 Oct

Het is steeds vaker moeilijk om nog goede redenen te bedenken om te willen blijven leven. Wat is de zin, het nut nog van mijn bestaan? Waaraan ontleen ik nog vreugde? En wat geeft me het idee dat ik er nog toe doe?

Nog, nog, nog. Tien jaar geleden kon ik het niet uitstaan als iemand dat woord uitsprak. Nu ontkom ik niet meer aan het gebruik ervan. In deze context drukt het woord ‘nog’ de betrekkelijkheid der dingen uit; eigenlijk hoeft iets tegenwoordig niet meer zo nodig.

Betekenis hebben voor anderen, dat is wat me al die zieke jaren op de been heeft gehouden. Een beetje gek uitgedrukt in mijn geval; op de been? Ik sta al jaren niet meer. Hoewel, met stevige ondersteuning kan ik nog een paar minuten per dag een verticale positie aannemen.

Dat probeer ik dan ook elke dag even te doen, met mijn fysiotherapeut en met de hulpen, waarbij me opvalt dat mijn ondersteuners vaak kleiner zijn dan ze vanuit mijn zittend bestaan lijken.

Na de middelbare school deed ik een beroepskeuzetest, omdat ik niet wist wat ik wilde worden, behalve dan dat het ‘iets creatiefs met mensen‘ moest zijn. ‘Banketbakker’ was het wat merkwaardige advies na de test, maar uiteindelijk werd ik muziektherapeut.

Ik betekende wat voor mijn verstandelijk gehandicapte cliënten en ook in mijn latere werk heb ik altijd het gevoel gehad van nut te zijn voor de medemens. Het is dan ook niet eenvoudig om aan de andere kant te staan(!) en alleen maar hulp te moeten ontvangen.

Dankzij mijn columns ben ik nog (in alle bescheidenheid) van enig maatschappelijk belang en daarvoor ben ik heel dankbaar. Want verder zorgt mijn bestaan vooral voor veel last, hoezeer ik het ook anders zou willen. Opgewekt doorzetten is eigenlijk het enige dat ik kan doen en verdomd, deze week is me dat weer gelukt!

Advertisements

De tentakels van een inktvis

11 Oct

Ik ben bang dat ik het over mezelf heb afgeroepen. Nee, niet de ziekte; die is me overkomen. ‘Je kunt er niks aan doen‘, is het gevleugelde bijzinnetje dat ik vaak te horen krijg. Dat gaat me overigens wel te kort door de bocht.

Als ik voor de zoveelste keer hulp nodig heb, helaas ook vaak midden in de nacht, zijn mijn mannen niet ongeduldig of boos op mij, maar op mijn ziekte. Wat ze vergeten, is dat ik de ziekte ben, dus de toorn komt wel over mij heen…

Wat precies is dan wél mijn eigen schuld? De verbondenheid met mijn gezinsleden is sterk. Niet voor niks staan Harry en de jongens nog altijd om me heen en helpen waar nodig. Ze hadden ook al jaren geleden het huis uit kunnen vluchten.

Hoe komt het dat ze dat niet hebben gedaan? Stel je de tentakels van een inktvis voor. Acht lange armen, die zich met kracht om de hals van een prooi krullen. Zó heb ik degenen die ik liefheb aan me vastgeklonken.

Ik heb mijn naasten niet willen verstikken, natuurlijk. Ik deed het uit liefde, genegenheid en belangstelling. En met de bedoeling een vinger aan de pols te houden. ‘Hé, hoe gaat het? Lukt het allemaal? Weet dat ik met je meeleef. Heb wat aan me.‘

Maar ook uit zelfbehoud. Ik kon immers niet meer zonder hun handen en voeten. Langzaam maar zeker is mijn afhankelijkheid in ons aller leven geslopen en kunnen we niet meer zonder. Ik tenminste niet.

En of zij het wel kunnen, is maar de vraag. Sterke jongen die zich uit deze wurggreep bevrijdt. Daar is geweld bij nodig. Afhakken, die tentakels. Wie wil dat nou? De octopus probeert haar prooien los te laten. Langzaam verslapt de greep van haar armen en krijgen haar geliefden weer lucht. Of houdt hier de beeldspraak op?