Archive | January, 2014

‘Uw moeder’

31 Jan

‘Bij mijn zuster in Las Vegas is het nu 35 graden! Ik vond het maar niks dat ze zo nodig moest emigreren, maar ja, wat doe je eraan? Gelukkig heb ik nog zes broers en zussen. Ik ben nu 82 en we leven allemaal nog.’

‘Dat is mooi, mevrouw! Al mijn broers en zusters zijn overleden, maar alle aanhang leeft nog. Behalve mijn man dan. Die is in februari een jaar dood. Het is maar stilletjes, zo in je eentje.’ ‘‘Wat u zegt, mevrouw. Oh, ik ben er. Goede reis, verder!’

De Regiotaxi is een mooie voorziening voor ouderen en gehandicapten. Ze brengen je van deur tot deur en een ritje is ook  nog eens goedkoper dan de stadsbus. Je moet wel de tijd nemen, want bij drukte laden ze het hele busje vol.

‘U moet inschikken, want er komt nog een dame bij’, zei de chauffeur. Harry bood aan om even uit te stappen, zodat de passagier in het midden kon zitten. ‘Ja, u heeft tenslotte nog jonge benen’, zei de  weduwe met een licht verwijt in haar stem.

‘Ik begeleid mevrouw in haar rolstoel’, legitimeerde Harry zijn aanwezigheid in de invalidenbus. ‘Oh gut, ik had u helemaal niet in de gaten!’ riep de vrouw naar achteren. Wat ze ook niet door had, was dat ik half bedolven zat onder haar boodschappentassen en rollator.

‘Kijk, de Zonstraat. Daar ben ik geboren’, zei Harry om de stemming er in te houden. ‘Dat heb ik  in de krant gelezen!’ zei de nieuwe passagier enthousiast. Inderdaad stond Har daarmee van de zomer in deze krant.

Plotseling raakte ook de chauffeur geïnteresseerd. Hoe meneer in de krant kwam, wat hij deed en of hij getrouwd was en kinderen had. ‘Jazeker, mijn vrouw zit achterin.’ ‘Oh, ik dacht dat dat uw moeder was.’ Het ritje via Nieuwegein terug naar Utrecht had anderhalf uur geduurd en eenmaal thuis voelde ik me inderdaad stokoud.

Advertisements

Vóór Hans!

10 Jan

Nog zie ik mezelf zitten door de ogen van mijn zwager Hans. Hij kwam zomaar eens langs op een vrijdagmiddag. Ik zat in de voorkamer in een leunstoel een beetje te zitten, terwijl Jan op de grond aan het spelen was.

Mijn hulpeloosheid moet tastbaar zijn geweest. Ik was een jaar of vier ziek en hield het huishouden nog gaande, zij het met grote moeite. Dankbaar nam ik die middag dan ook het aanbod aan om met Hans mee te gaan.

Jarenlang at ik elke vrijdag bij mijn zus Marij en toen Hans een nieuwe auto aanschafte, kocht hij er een fietsenrek bij, zodat mijn rolstoel ook mee kon. Het was de gewoonste zaak dat hij me kwam ophalen, me eten en drinken gaf, me naar het toilet hielp.

Ook hebben we samen vele thuiswedstrijden van FC Utrecht bijgewoond. Toen ik negen jaar geleden voor de tweede keer naar Bejing mocht voor een stamcelbehandeling, gingen Marij en Hans met me mee. Ze namen gewoon drie weken vakantie voor me op.

Als je zelf chronisch ziek bent, dan verwacht je niet dat je kerngezonde naasten ook wat gaan mankeren. Groot was de schok dan ook, toen Hans vorig jaar een hartkwaal bleek te hebben. Eén die bovendien niet operabel is. Wel kreeg hij een soort pacemaker waardoor zijn hart weer beter ging functioneren.

En nu is hij ‘besprongen’ door een agressieve bacterie, die zich onder andere nestelde op de pacemaker. Dagenlang had hij hoge koorts en hij werd alsmaar zieker. Intensive care, hartbewaking, pacemaker verwijderd; het was allemaal doodeng. Inmiddels is het grootste gevaar gelukkig geweken, al moet hij nog zes weken aan het infuus liggen om met antibiotica de bacterie te lijf te gaan.

Zonder dramatisch te willen doen; er was een reële kans dat hij dit niet zou overleven. Dan had ik dit stukje ook geschreven. Niet vóór Hans, maar óver hem. Verdomme jongen, wat ben ik blij dat je dit gewoon kunt lezen. . .