Archive | June, 2014

Jaloezie is gevaarlijk

22 Jun

‘Eens was ik jouw roos, nu ben ik een doorn.’ De titel van dit lied trof me. Woorden uit een Zuid-Amerikaans land, maar herkenbaar voor een ieder die ooit te maken had met enige vorm van liefdesverdriet.

Bloeien als een roos, jazeker heb ik dat gedaan. Onbevangen en blijmoedig stond ik in het leven. Enthousiast pakte ik alles aan dat op mijn pad kwam en ik genoot met name van de fijne relaties en vriendschappen die me dat opleverde.

Ik hecht sterk aan mijn vrienden en vriendinnen; dat heb ik altijd gedaan. Allereerst natuurlijk aan mijn eigen vent, de vader van mijn kinderen. Maar een roos moet bloeien voor iedereen die je genegen is, opdat een prikje van een doorn niet zo opvalt.

Toch dreigt een geduchte vijand steeds meer invloed op mijn leven te krijgen. Jaloezie is een groot ding. Een allesvernietigende, gemene intrigant, die geniepig steekt in het moois dat in een goede relatie zit.

Een gezellig etentje bij goede vrienden. ‘Die vroege ochtendwandelingen verrijken ons leven‘, zeiden ze tegen me. ‘Jullie leven ís al zo rijk. Kon ik maar één zo’n wandeling maken‘, fluisterde het afgunststemmetje me in. ‘Hou nou maar op. Ik kan het meer niet aanhoren‘, zei ik.

Het was even stil aan de overkant. ‘Na het eten brengen we je maar naar huis‘, klonk het teleurgesteld. En terecht. Want wat moet je met iemand aan wie je niet meer kunt vertellen wat je fijn vindt? Dat je op je woorden moet gaan letten? Mag je het dan alleen nog maar over moeilijkheden hebben? Zó zit een vriendschap niet in elkaar.

De roos was een doorn geworden. Goddank kon ik het uitpraten met mijn verstandige vrienden. En de rozenstruik is sterk, zodat er weer een knop in zit. Jaloezie is gevaarlijk. Ik probeer de doornen af te breken, maar heb alsjeblieft mededogen als het me niet lukt…

Advertisements

Jaloezie is verraderlijk

13 Jun

‘Vakantie Loes’, stond er enthousiast in de agenda, die één van mijn hulpen voor me bijhoudt. Vier dagen maar liefst! Maar de laatste avond, terug thuis, moest er weer een hulp komen om mij naar bed te brengen. Drie nachten was ik op Texel en dat was heerlijk.

Niet eerder had ik er zulk mooi weer. Ik kende het eiland alleen in regen en wind en wist niet beter dan dat ik het er koud had. Gehuld in dikke winterkleren ging ik eens op vogelexcursie halverwege mei. Als ik me buiten de auto waagde, begon het telkens onmiddellijk te regenen.

Eén keer heb ik me destijds vertwijfeld tot God gewend. Ik zat net met veel moeite in mijn rolstoel voor een rondje Mokbaai, waar je fantastisch kunt vogelen, toen de regenspetters zich in snel tempo ontwikkelden tot een stevige plensbui. ‘Onze Lieve Heer, áls U bestaat, dan bent U gemeen’, heb ik naar boven gemompeld.

Maar dit Pinksterweekend zat ik op het terras van het appartement te zonnebaden. We wandelden door de duinen naar het strand en zaten ook daar in een hemdje in de zon. Wat een weldaad… En wat leek het leven even gewoon…

En wat was het zuur om na drie dagen alweer naar huis te moeten. Had dan een paar dagen bijgeboekt, zou je zeggen. Maar als je weet hoe weinig aangepaste vakantiewoningen er zijn, dan kun je ook bedenken, dat je meestal twee jaar vooruit moet boeken om ergens te kunnen logeren.

Ik was jaloers op het stokoude echtpaar en hun dochter, die op de dag van ons vertrek hun intrek namen in ‘ons’ appartement. Ze konden zich onmiddellijk installeren op het nog steeds zonovergoten terras.

Jaloezie is verraderlijk. Het is een giftig onderdeel van het menselijk brein. Ik heb er de laatste tijd in toenemende mate last van. Maar daarover in een volgende column méér.